Het pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers.
De eerste pijler is een basispensioen, gewoonlijk door de staat geregeld en gewoonlijk gefinancierd door middel van een omslagstelsel(de AOW). Deze pijler heeft als doel ten minste een basisvoorziening te scheppen waarmee armoede onder ouderen wordt voorkomen. In sommige landen gaat de eerste pijler veel verder dan een basisinkomen. waardoor de rol van de tweede pijler kleiner is.
De eerste pijler, de AOW, wordt opgebouwd uit rechten die men verkrijgt voor elk jaar dat men vanaf het 15-de tot het 65-ste levensjaar in Nederland verblijft. Met hoeft dus niet werkzaam te zijn. Elk jaar wordt dus 1/50ste, is 2% van de maximaal te halen AOW opgebouwd.
De tweede pijler bestaat uit pensioenrechten, dit zijn rechten die werknemers tijdens hun werkzame leven opbouwen. Dit is wat in de volksmond 'het pensioen' wordt genoemd. De premie wordt betaald door werknemer en werkgever samen. Pensioen is een secundaire arbeidsvoorwaarde (uitgesteld loon) waarbinnen een aanvullend pensioen wordt opgebouwd (aanvullend op de AOW), meestal tot de fiscaal toegestane grens (zie fiscaliteit). Pensioen in de tweede pijler wordt dus altijd opgebouwd in de relatie werkgever-werknemer. De tweede pijler wordt gefinancierd door een kapitaaldekkingstelsel of - veel minder vaak - een omslagstelsel, of een combinatie van beide.
In sommige landen (Duitsland, Portugal, VS) wordt nog de boekreserve gebruikt als financieringssysteem. Omdat dit systeem riskant is voor de begunstigden loopt het gebruik er van steeds meer terug. Bij een kapitaaldekkingsstelsel bouwt een werknemer zijn eigen 'spaarpot' op, waaruit later het pensioen wordt uitgekeerd. Het doel van de tweede pijler is om, samen met de eerste pijler, een redelijk inkomen te geven aan ouderen dat is gerelateerd aan het gedurende het werkzame leven genoten salaris. In Nederland is dat meestal 70% van het gemiddeld verdiende salaris (middelloonsysteem) of, inmiddels zeldzamer, van het laatst verdiende salaris (eindloonsysteem). Die 70% wordt behaald door de AOW en het zelf opgebouwde pensioen bij elkaar op te tellen. Pensioengrondslag is het pensioengevend salaris minus de zogenoemde franchise, over die franchise wordt geen pensioenpremie betaald.
Een tweede pijler pensioen van een kapitaalgedekt pensioenfonds kan ook worden gespaard via het beschikbare-premiesysteem, het verzekeren van een pensioenkapitaal of het beschikbare-uitkeringssysteem. Ook de zeldzame vastebedragenregeling wordt tot deze categorie gerekend.
De derde pijler is vrijwillig, alle inkomensvoorzieningen die mensen zelf treffen vallen hieronder zoals lijfrente, levensverzekeringen en inkomsten uit eigen vermogen. Meestal gaat het om commerciële spaarproducten, met of zonder verzekeringselement, met fiscale concessies en beperkingen; voor Nederland zie Lijfrente (Nederland) en Banksparen. De producten in deze pijler zijn bedoeld voor reparatie van pensioenbreuken en -gaten. Deze ontstaan bijvoorbeeld door het veranderen van baan, verblijf in het buitenland of niet deelnemen aan het arbeidsproces. Zelfstandigen en ondernemers zijn volledig aangewezen op pensioenopbouw in de derde pijler. In deze pijler zijn alle pensioenen kapitaalgedekt en georganiseerd via het beschikbare-premiesysteem. Nationale en internationale waardeoverdracht is in de praktijk vrijwel niet mogelijk.
